Honden zijn er in tientallen rassen, te herkennen aan specifieke uiterlijke kenmerken. Die kenmerken ontstaan door dieren gericht te selecteren op gewenste eigenschappen. Generaties lang wordt er met deze ‘uitverkoren’ dieren gefokt, om zo dicht mogelijk bij de vastgestelde rasstandaard te komen. Dit doorfokken heeft ernstige consequenties voor het welzijn van rashonden. Als gevolg van inteelt lijden ze onder lichamelijke afwijkingen. De Sophia-Vereeniging wil dat er een einde komt aan deze aantasting van het dierenwelzijn, ten gunste van het uiterlijk. Zij pleit voor een verantwoord fokbeleid, opgelegd door de overheid.
Sommige honden worden geboren met een afwijking aan de wervelkolom. Het ruggenmerg wordt niet optimaal omsloten door de ruggenwervels, wat een grote kans geeft op ontstekingen. Gelukkig zijn honden met deze afwijking goed herkenbaar, want er loopt een streep rechtopstaand haar over de rug. Het ligt voor de hand dat honden met zo’n streep niet gebruikt worden als fokdier, want de kans dat ze de aandoening doorgeven aan het nageslacht is groot. Helaas is de rashondenwereld een heel andere mening toegedaan. Daar wordt deze afwijking gezien als een essentieel kenmerk van de Rhodesian ridgeback. De streep haar is voor fokkers van dit hondenras zó belangrijk, dat dieren zonder wervelafwijking tegen elke prijs uit de fokselectie worden gehouden. Een Rhodesian ridgeback zonder afwijking is weliswaar gezonder dan rashonden mét streep, maar dat is van ondergeschikt belang voor de fokker.
De situatie van de Rhodesian ridgeback staat niet op zichzelf. De rashondenwereld is vergeven van voorbeelden waarbij honden bewust worden doorgefokt op extreme uiterlijke kenmerken. Want alleen als ‘voldaan’ wordt aan de rasstandaard, kunnen de dieren voor een flink bedrag als rashond verkocht worden of deelnemen aan een hondenshow. Erfelijke afwijkingen vormen daardoor eerder regel dan uitzondering. Neem de Cavalier King Charles spaniels, ofwel de ‘Pim-Fortuynhondjes’. Door vele generaties lang selectief eenzijdig te fokken, zijn er dieren ontstaan met een ronde schedel, een kleine snuit, grote ogen en een hoog voorhoofd. De dieren zien er schattig uit, maar betalen een hoge prijs voor deze raskenmerken. Het fokken op dit uiterlijk heeft er namelijk toe geleid dat de schedel van de honden veel te klein is geworden voor de hersenen. Dit kan resulteren in ondraaglijke pijn en iets wat nog het meest lijkt op epileptische aanvallen.
Het bewust eenzijdig fokken op uiterlijk gaat vrijwel altijd gepaard met gezondheids- en welzijnsproblemen. Bij honden zijn dat bijvoorbeeld naar binnen krullende of te ruime oogleden, ademhalingsproblemen door de korte snuiten, hersenafwijkingen door te kleine schedels, afwijkingen aan het skelet en overmatige plooivorming van de huid. Ook kan bij een aantal hondenrassen de dekking en de geboorte niet meer via de natuurlijke weg geschieden. Bij katten en cavia’s heeft een eenzijdige selectie door fokkers soortgelijke negatieve gevolgen voor het dierenwelzijn. Zo vertoont het merendeel van de satijncavia’s botafwijkingen, die resulteren in een pijnlijke en voortijdige dood. Sommige raskatten worden gefokt met ernstige afwijkingen aan de schedel, waardoor de dieren nauwelijks meer kunnen ruiken en moeite hebben met ademen.
De Sophia-Vereeniging vindt dat er ingegrepen moet worden, te beginnen in de rashondenfokkerij. Op grote schaal wordt wereldwijd de intrinsieke waarde en het welzijn van honden aangetast, door extreme rasstandaarden als norm te hanteren. Vaak zijn die standaarden al meer dan honderd jaar geleden vastgelegd en sindsdien gelden afwijkingen daarvan als doodzonde. Dit beleid heeft ervoor gezorgd dat inteelt aan de orde van de dag is. Door inteelt ontstaat namelijk een beperkte genenpool, waardoor de kans op ‘ongewenste’ (gezondere) pups afneemt en er meer nakomelingen worden geboren die voldoen aan de norm. ‘Vergeten’ wordt echter dat in dit fokproces goede genen voorgoed verdwijnen. Het ras krijgt zo een steeds smallere genetische basis en wordt daardoor steeds kwetsbaarder.
Er moet een einde komen aan dit grootschalige dierenleed. In Nederland ligt de verantwoordelijkheid voor het welzijn van deze dieren bij de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Minister Verburg erkent het probleem, zo blijkt uit diverse nota’s en brieven, maar ze weigert om zelf regels op te stellen die het dierenwelzijn in de rashondenfokkerij verbeteren. In plaats daarvan, heeft zij de overkoepelende vereniging van rashondenfokkers gevraagd om het probleem aan te pakken. De Sophia-Vereeniging verwacht weinig van zelfregulering. Het zijn immers de fokkers zelf die het probleem hebben doen ontstaan. Volgens de vereniging kan dit alleen door de overheid bestreden worden via duidelijke regels en een strenge controle op de naleving ervan. Daaraan moet een verantwoord fokbeleid ten grondslag liggen, waarbij niet het uiterlijk, maar het welzijn van de honden centraal staat.